IJsland; motorrijden voor avonturiers (Willem Laros)

Zo’n 90% van de IJslandbezoekers komt per vliegtuig. Wie wil motorrijden huurt hier vervolgens een motor. Maar ik wil met de eigen motor IJsland ‘ronden’. Troll Travel stelt, samen met de veerdienst Smyril Line, een programma op. Als rond acht uur ‘s morgens plaatselijke tijd de veerboot ‘land in zicht’ heeft zie je iedereen opleven; het avontuur IJsland kan beginnen ! De douane kijkt even naar mijn nummerplaat en knikt vriendelijk; rij maar door. Een dame vraagt hoe lang ik blijf. En plakt vervolgens iets op mijn spatbord; op een raam zou dat leesbaar zijn, nu niet.

Digitaal geld
Tank waar je tanken kunt, luidt het advies met de motor op IJsland. Met nog een actieradius van 250 km denk ik normaal nog niet aan tanken, maar nu dus wel. Vol is vol. Ik overweeg nog de aanschaf van een extra tank met 5 liter benzine, maar dat is volgens de pompbediende hier niet nodig. Bij het invoeren van een creditcard – op IJsland kan vrijwel alles met digitaal geld worden betaald – vraagt de pomp om een maximumbedrag. Dat gaat de eerste keer dus fout: ik krijg twee liter…
Het is ‘fris’. En op mijn dashboard zie ik even later, bovenop de pas Fagridalur, dat het nog frisser kan; zeven graden, rondom sneeuw en ijs. Langs de kant van de weg staat de KTM van de Zuid-Afrikaan Peter, ontmoet op de veerboot. “Net een foto gemaakt van de motor bij die rots daar.” Een griezelig end onverhard en sneeuw heeft hij daarvoor moeten overbruggen. Net een uur op IJsland en dan zulke risico’ s nemen; waarom doet iemand dat ?
Mijn rondje IJsland gaat met de wijzers van de klok mee. Dus vanuit Seyðisfjördur, waar de veerboot aanmeert, eerst naar het zuiden en westen en daarna via de hoofdstad Reykjavik naar het noorden weer richting de veerboot – die dus ook vanuit het oosten weer vertrekt. Met wat uitstapjes naar het binnenland bijna 2400 km. Plus 2000 kilometers voor de weg heen en terug naar Hirtshals,  waar de veerboot vanuit Denemarken vertrekt en weer aankomt.

Veilig rijden
Fjorden. Ik passeer er verschillende. Mooi. Broodjes zie ik ergens op een gevel. Ze schenken lekkere koffie en serveren een vers broodje. Iedereen spreekt hier goed Engels, merk ik wel. Automobilisten halen opmerkelijk ruim in; ik voel me bijzonder veilig op de motor. Na een paar uurtjes rustig toeren krijg ik zicht op de Vatnajökull, verreweg de grootste gletsjer op IJsland. Dat zicht hierop heb ik ook de volgende dag nog als ik bij de gletsjerlagune Jökulsárlon aankom. Eerst zie ik brokken blauw ijs in de oceaan drijven, later nog veel meer brokken aan de andere kant van de weg. Tussen en rond de brokken ijs vliegen tientallen visdiefjes, af en toe in het water duikend waarin kennelijk visjes zwemmen. Het geheel vormt een fantastisch schouwspel, waar ik wel een dag lang naar zou kunnen kijken.
Welke krachten de natuur kan ontwikkelen wordt duidelijk uit een ‘monument’ van verwrongen stalen profielen bij de langste brug van IJsland (ruim 900 meter). Hierna wordt de omgeving zwart: Skeiðarársandur heet de zandvlakte, ontstaan door enorme overstromingen als gevolg van vulkaanuitbarstingen onder (!) de gletsjer Vatnajökull. Lavavelden, zandvlakten, gras, het landschap verandert voortdurend. In Vik is het hoog gelegen kerkje een markant punt. Ik loop even binnen bij een grote (fabrieks)winkel vol wollen kledingstukken, buitensportartikelen en souvenirs. Ik verheug me op de kennismaking met de papegaaiduikers. Daarvoor moet ik een stukje verder zijn, bij Dyrhólaey, niet altijd open maar nu wel. De route naar de voet van de berg is prachtig, maar dan gaat het mis: er komt wind opzetten en mist – het zicht is af en toe nog geen honderd meter. Het laatste stuk is onverhard en met haarspeldbochten. Even overweeg ik terug te gaan, maar wie weet is het boven beter. Maar dat is het dus niet. Ik krijg nog geen veertje van een papegaaiduiker te zien.

Liftster
Op naar Skógar. Voor de waterval en voor mijn bed vannacht. Bij de waterval even op mijn kaart kijken. Er staat een meisje te liften. In de koude wind, dikke muts op. “Ben je verdwaald? “, vraagt ze. Net als alle IJslanders die ik heb ontmoet is ook zij vriendelijk en behulpzaam. En liften is voor haar hier geen probleem: “Hier gebeuren nooit gekke dingen.” De Seljalandsfoss is een waterval met ‘een achterom’. Veel mensen maken de wandeling en verdwijnen achter de van zestig meter hoogte neerstortende straal water even uit beeld. Een Nederlandse spreekt me aan, ze had mijn Nederlandse kenteken gezien. Ze gidst een Internationale groep toeristen door het land en woont al twintig jaar op IJsland. “Maar de winters zijn lang hier; ik overweeg om weer naar Nederland te verhuizen.”
Een mooi kerkje trekt mijn aandacht; het is de voormalige bisschopszetel Skálholt. Vier jongeren maken muziek; de generale repetitie voor een concert later die middag. Maar die tijd heb ik helaas niet. De naam Geysir – waar ons woord geiser van afstamt – staat voor hete bronnen. Maar ook voor een toeristische attractie die zijn gelijke niet kent: wat een drukte, horeca, auto’s en bussen. Allemaal om de Strokkur gezien, die elke paar minuten een straal kokend water de lucht in spuit. De weg hier naartoe is overigens een avontuur op zich: het laatste stuk is onverhard, maar voorzien van kiezelstenen die de grootte van een vuist benaderen. Het lukt me alleen door heel zachtjes te rijden de grootste kiezels te vermijden. Een Deen, met een toermotor met kuip, vertelt later dat hij het niet had aangedurfd; hij was terug gereden.

Fjord
Vanuit Reykjavik wil ik een flink eind naar het noordoosten rijden. Ik moet immers weer op tijd terug zijn bij de veerboot naar Hirtshals. De rit begint aanvankelijk gemoedelijk. Nergens op IJsland mag je harder dan 90 km/h, dus de zesde versnelling had ik wel thuis kunnen laten. Ik rij ook nog een stukje de verkeerde kant op; ik zie aankondigingen van steden die ik al zag. Hoe kan dat nou? O, geen IJsland in de TomTom, waarom toch niet ? De aanbevolen route voorziet in de tunnel onder de fjord Hvalfjörður, maar waarom zou ik er niet omheen rijden ? Het levert prachtige vergezichten op; blij dat ik dit heb gedaan. Voorbij Bórgarnes stop ik voor een snelle lunch en daarna verandert alles snel. De weg gaat langzaam omhoog en de temperatuur begint voelbaar te dalen. Toch maar een extra vest aantrekken. Het begint ook te waaien, nee te stormen, van opzij. Hangend tegen de wind en vrijwel mijn hele rijbaan van de tweebaansweg benuttend na een grote tegenligger, begin ik me steeds minder comfortabel te voelen. De wind neemt verder toe en ik rij de wolken in; dikke vette mist! Dit is niet leuk meer, hoe lang zou dit duren ? Enkele stukken weg zijn vernieuwd en nog niet voorzien van witte lijnen. Mijn snelheid daalt naar 40 km/h. Dit scenario duurt een half uur; daarna neemt de mist af. Als ik bij Blönduós een dal in draai is ook de wind weg en lacht een zonnetje mij weer toe. En een agent in een auto, die mijn snelheid controleert. Poeh… dat loopt allemaal goed af. Want wat is nou 90 km/h op een stille, rechte weg met strak asfalt ?

Motormuseum
Bij het naderen van Akureyri, een van de grotere steden, steekt een groot cruiseschip boven de bebouwing uit. Dit is een geliefde haven voor cruiseschepen, elke week wel enkele. De plaatselijke middenstand vaart (..) er wel bij. In het stadje is sinds 2006 IJslands enige motormuseum. De volgende ochtend neem ik een kijkje; er staan enkele hele mooie machines, waaronder de zescilinders van Honda en Benelli. Als ik na een bezoek aan het blauwe meer en het Mývatn natuurbad terugrijd naar mijn overnachtingsadres zie ik ineens iemand naast de weg zitten. Haar blanke billen steken flink af tegen de donkere lava. Je zult maar nodig moeten; er is in dit maanlandschap geen enkele plek om je even te ‘verstoppen’. Ze hoort mijn motor, we kijken elkaar een seconde aan. Wat zal zij zich ongelukkig voelen…
Een week is eigenlijk wel kort voor ‘een rondje IJsland’. Nu waren alle overnachtingsadressen geboekt, dus ‘dan moet je wel’. Als je kampeert heb je deze ‘beperking’ niet; campings genoeg en voor een tentje is altijd plek. Hier en daar mag je zelfs gratis staan en wildkampeerders ben ik meer dan eens tegengekomen.
Wat is IJsland indrukwekkend mooi! Het zal niet meevallen om de snel groeiende stroom toeristen in goede banen te blijven leiden. Nu had ik al een enkele keer het gevoel dat ik in een reusachtig pretpark van de ene naar de andere attractie reed. Alle toeristen gebruiken dezelfde gidsjes, sommige mensen kom je meerdere keren tegen. Een volgende keer – want die komt er zeker – blijf ik in een bepaald deel om daar meer activiteiten te ondernemen. Gletsjerwandelen bijvoorbeeld, wildwatervaren, met een 4×4 tocht mee, walvissen kijken en tussen reusachtige ijsblokken varen. Want dat vooral is IJsland; actief buitensporten. Inclusief motorrijden natuurlijk, liefst nog wat meer off-road. Hoe dan ook; ik ben flink warm gemaakt voor meer IJsland !

Informatie
Contant IJslands geld is niet nodig; alles (!) kan met een creditcard worden betaald. Tenzij de techniek roet in het eten gooit (bij hotel Eyvindará – eigenaar met de handen in het haar…). In de zomer blijft het ook ‘s nachts licht op IJsland. Op de langste dag komt de zon op om 2.55u, om de volgende dag (!) om 0.03u onder te gaan. (De kortste dag: zon op 11.21u, onder 15.29u). IJsland is niet goedkoop. Vooral alcohol is duur; een glas wijn kost al gauw acht euro.
Enkele prijzen voor de overtocht Denemarken – IJsland. Een motorfiets met twee personen kost in het middenseizoen (5 mei – 9 juni en 25 augustus – 29 september 2018) vanaf 630,00 euro (enkele reis). Aan boord slaap je dan in een couchette (6 – 9 personen, eigen cabine ook mogelijk). In het hoogseizoen (9 juni – 24 augustus 2018) is dit vanaf 785,00 euro. Eén persoon met motor kost respectievelijk vanaf € 385,00 in het middenseizoen tot vanaf € 490,00 in het hoogseizoen. In het hoogseizoen 2018 geldt er een aantrekkelijke korting, als je op de terugreis een tussenstop maakt op Færøer Eilanden en wordt de motor gratis vervoert.
Kortom: IJsland doe je niet zo snel voor een week. Mijn advies; trek er ten minste drie weken voor uit en als het kan langer. Er is genoeg te bewonderen en te genieten. Vooral als je van de wat ruigere natuur houdt en landschappen die je nergens anders ziet.

Tekst en fotografie: Willem Laros (@willemlaros)