IJsland; een droombestemming (Willem Laros)

Met de eigen motor naar IJsland. Een droombestemming, zegt vrijwel iedereen die er is geweest. Wij kiezen voor de route via de Færøer Eilanden: dat stelt ons in staat ook hier nog enkele dagen rond te kijken. Je vaart er immers toch langs… Op naar het Deense Hirtshals dus: van hier vertrekt de comfortabele veerboot van Smyril Line, een onderneming van de Færøer Eilanden. De motoren worden alle bij elkaar ‘geladen’.

De Færøer Eilanden is een eilandengroep (van Denemarken, maar met een eigen bestuur) in de noordelijke Atlantische Oceaan. De Færøer Eilanden bestaan uit achttien eilanden, waarvan Streymoy, Eysturoy, Vágar en Suduroy de grootste en bekendste zijn. De hoofdstad van de Færøer Eilanden is Tórshavn: hier komt de veerboot van Smyril Line ook aan.

Visserij
De Færøer Eilanden heeft zijn naam te danken aan de vele duizenden schapen die nog steeds op de eilanden grazen en zorgen voor vlees- en wolproductie. Toch draait de economie grotendeels op de visserij (95% van de export) vanwege de gunstige ligging in de Atlantische Oceaan. De meeste eilanden zijn vlak en uitgestrekt (hoogste punt: Slættaratindur, 882 meter). De kustlijnen zijn veelal rotsachtig met steile rotswanden. Aldus de reisbrochure.
We gaan op weg. Naar een plek zonder gevangenissen, met overal vis, de beruchte slachtingen van jonge walvissen plus de plek die tot de 16e eeuw de naam Frisland droeg. In de brochure die ik van het organiserende Troll Travel uit Zwijndrecht ontvang staat nog best een aardig lijstje campings, waarvan er overigens enkele uitsluitend voor tentkampeerders zijn. De TomTom was tot de veerboot in gebruik: de Færøer en IJsland ‘kent’ TomTom niet (Garmin wel). Als we de veerboot oprijden ruiken we het al: vis! Om in de sfeer te komen nemen we hier een broodje zalm. Met een pakje appelsap erbij reken ik, omgerekend, €10,94 af. Nee, dit is geen modale bestemming.
‘Wild’ kamperen is officieel niet toegestaan. Maar als we de volgende nacht van de boot af rijden is het toch vooral een kwestie van een rustig plekje zoeken en gaan slapen. Niemand die zich daar hier aan stoort. De volgende dag rijden we richting misschien wel de mooiste camperplek van de hele eilandengroep,  die bij Gjógv. De rit er naartoe is al een feestje vol heerlijke landschappen. En watervallen, niet te vergeten. Overal uit de bergen druppelt, sijpelt en stort het water naar beneden. Boven in de bergen liggen nog plakken sneeuw. Er zijn ook tunnels, kilometers lang, vochtig en maar matig verlicht. Twee zijn helemaal niet verlicht en bovendien maar één rijbaan breed. Voor tegenliggers zijn er uitwijkhavens: 22 (genummerd) in totaal. Tussen de eilanden Streymoy en Eysturoy is een brug, waarschijnlijk de enige in de Atlantische Oceaan. Het plaatsje Gjógv naderen is een sprookje… de camperplek ligt er ten oosten van, keurig aangegeven met een bordje. Dit uitzicht is ongelofelijk!

Havenstadje
Dag twee van de drie op de Færøer Eilanden is rampzalig: mist beperkt het zicht tot nog geen vijftig meter en tegelijkertijd stortregent het. Op naar Tórshavn, kunnen we in elk geval dat havenstadje even bekijken. Parkeren kan bij de haven, en vanuit hier loop je zo het oude centrum in: prachtig, met schitterende houten huizen.
Als het de laatste dag opklaart ondernemen we nog een ritje naar Saksun, een plaatsje dat er volgens de folders wel erg schilderachtig bij ligt. Het weggetje er naar toe is al veelbelovend, langs een watertje vol stroomversnellingen. Verderop gaat het omhoog, er is een waterval bij een paar huizen. Wat beweegt mensen om hier te (blijven) wonen? Een moeder speelt buiten met twee peuters. Dit is heel wat anders dan opgroeien in Amsterdam…
De overtocht naar IJsland duurt één nacht. Eenmaal op IJsland is het twee uur vroeger dan bij ons (op de Færøer één uur). Twee uur voor de aankomst moet de hut worden verlaten, ontbijten kan vanaf 7 uur. Scheepstijd of plaatselijke tijd? Enfin, die communicatie hierover aan boord kan beter. Hang wat extra klokken op!

Sneeuw
En dan rij je zo IJsland op. Auto’s, campers, motorfietsen, fietsen. De douanecontrole verloopt soepeltjes. Nederlands? Rij maar door. Bij de eerste bocht nog even omkijken. Besneeuwde bergtoppen steken boven de veerboot uit: een prachtig gezicht. Onder de ruitenwisser zit een kortingskaartje voor brandstof. Dat gebruiken we gelijk: vol is maar vol. Binnen een afstand van 100km is er op IJsland overigens altijd een benzinestation, wordt me verzekerd. Betalen op IJsland kan overal en altijd met een creditcard, ook bij de onbemande tankstations.
De planning is een rondje IJsland te rijden met de wijzers van de klok mee. Dus eerst het zuiden, bij de hoofdstad Reykjavik naar het noorden en dan weer terug naar de veerboot. Weg 1, die houden we aan, met uitstapjes naar de bezienswaardigheden die we willen bezoeken. De rondweg op IJsland is in 1976 in gebruik genomen. Deze is voor het toerisme erg belangrijk. Van ruim 250.000 toeristen in 1999 steeg het tot de te verwachten 1,5 miljoen bezoekers volgend jaar.
Rijden maar. We beginnen gelijk al met een bergpas. Niet hoog, maar overal ligt sneeuw en niet zo’n beetje. IJsland! Wat een prachtige pas, Fjarðarheiði. En hier zien we ook de eerste IJslandse watervallen al. Reyðarfjörður, Fáskrúðsfjörður, met zulke namen wordt het ons niet gemakkelijk gemaakt. Even de eerste indrukken verwerken bij een koffie en een broodje in een tentje, ons aangewezen door enkele jongeren. Goeie tip! De tunnel die we inrijden is ruim en goed verlicht. We rijden in westelijke richting en passeren verschillende fjorden. Het gebied Lón staat bekend om zijn gekleurde bergen. De gletsjer Vatnajökull is imponerend groot. Op diverse plekken kun je sneeuwscooter- of 4×4-tochten op de gletsjer maken. In Höfn zijn diverse winkels en benzinestations. Bij Höfn overnachten we ook. Het gidsje Campingcard (in Engels en Duits) bewijst goede diensten.

Visdiefjes
Na 75 km rijden vanuit Höfn arriveren we bij de gletsjerlagune Jökulsárlón. Indrukwekkende brokken ijs drijven richting de oceaan. Tientallen visdiefjes vliegen en duiken hier, op jacht naar voedsel. De verleiding is groot hier ook een boottochtje te maken, dicht langs de ijsrotsen. Op het strand liggen brokken ijs mooi weg te smelten. Wat een fenomenaal mooi natuurverschijnsel is deze lagune!
Voorbij het bezoekerscentrum van het nationale park Skaftafell rijden we over IJslands langste brug: ruim 900 meter. Hierna wordt ‘alles zwart’: het is de zandvlakte Skeiðarársandur, het resultaat van vulkaanuitbarstingen onder (!) de gletsjer Vatnajökull.
Net voorbij de schitterende berg Lómagnúpur ligt Núpsstaður, een klein kerkje (‘turfkapel’) uit de 17e eeuw. Even later passeren we bizarre basaltzuilen, een lavaveld (vulkaanuitbarsting van 1783) en een zandvlakte. Maar ook zijn er groene stukken, en zelfs lila, dankzij uitbundig bloeiende lupines. Vik heeft een prima camping, aan de voet van een schitterend gelegen kerkje. Een grote fabriekswinkel verkoopt in dit dorpje alles van wol, souvenirs en buitensportmaterialen (1e verdieping).
Dyrhólaey heet een grote vogelrots (papegaaiduikers, puffins), te bereiken via een steil, onverhard weggetje met haarspeldbochten. Voor grotere campers is dit niet te doen. Maar vandaag is er voor helemaal niemand iets te zien: de mist – en de wind – zijn hier heer en meester. Jammer! Maar ja, dit is wel IJsland…
Skógar heeft een zestig meter hoge waterval. Enkele tientallen kilometers verder bezoeken we de Seljalandfoss, een waterval waar je achterlangs kunt lopen. In de voormalige bisschopszetel Skálholt – later verplaatst: zo ontstond Reykjavik – stoppen we bij het witte kerkje, waarin een Frans kwartet het concert voor die avond voorbereidt. Wat een entourage voor de muziek van Couperin, die onder andere op het programma staat!
Wel heel erg toeristisch is het bronnenpark bij Geysir (ja, van onze vroegere geiser), waar de bekendste bron Strokkur elke paar minuten kokend water omhoog spuit. In de aangrenzende horeca is het een drukte van belang. Iets minder toeristisch en zeker zo imposant is de waterval Gullfoss,  die in Europa zijn gelijke niet kent. Ook tamelijk toeristisch is de Blue Lagoon, een blauw meer met water van de geothermische hitte-uitwisselingscentrale van Svartsengi. De parkeerplaats is bijna vol, en wie wil zwemmen heeft pech: er is vandaag geen plek meer. Via internet tijdig boeken dus.

President
Van de 326.000 IJslanders wonen er zo’n 208.000 in ‘groot-Reykjavik’, inclusief de voorsteden dus. De president van IJsland woont ook in de buurt: je kunt zo naar het prachtig gelegen huis rijden. Het kerkje ernaast kun je bezoeken. Aan een voorbijgangster vraag ik voor de zekerheid of hier inderdaad de president woont. Ze lacht: “Ja hoor, dat kan hier. IJsland kent weinig geweld.”
Van verre zie je de Hallgrímskirkja kerk al boven de hoofdstedelijke bebouwing uitsteken. Deze is het symbool van de hoofdstad wat mij betreft. Vorm en materiaal wijken erg af van ‘een gewone’ kerk, de klokken die luiden zijn in Nederland gegoten. Ik bof: als ik de kerk binnenloop zie ik een aankondiging van een orgelconcert dat over een half uur begint. En ja, ik ben liefhebber… Het enorme orgel, met meer dan 5200 orgelpijpen, klinkt indrukwekkend. Na het concert slenteren we nog even de stad in: de meeste winkels zijn open. Heerlijk, we lopen langs het parlementsgebouw, de concerthal en de vele leuke winkeltjes met uiteraard veel wollen kleding.

Mist
Op naar het noorden. Er gaat een tunnel onder flord Hvalfjörður door, maar er loopt ook een weg omheen. Dat is natuurlijk langer, maar wel veel mooier. Geweldig, wat een uitzichten hier! Bij Bivarnes pikken we de rondweg weer op. We rijden in noordoostelijke richting en de weg gaat omhoog. Het wordt kouder en er komt een dikke mist opzetten. Voorzichtig rijden we verder: van de weg raken is haast overal fataal,  omdat de weg steeds verhoogd is aangelegd. Na Blönduós maakt de weg een scherpe bocht naar rechts en rijden we een lieflijk dal in. Waarin waarachtig een politieauto staat, met apparatuur om onze snelheid te meten. Niks aan de hand…
Bij het naderen van Akureyri steekt een groot cruiseschip boven de bebouwing uit. Akureyri is een van de grotere steden van IJsland. Bij de jachthaven staan nog meer campers. Een stukje verder ligt de waterval Goðafoss, de ‘Waterval van de Goden’. Indrukwekkend, hoeveel ‘kracht’ de natuur hier laat zien. Het Mývatn natuurbad is gevuld met warm (40 graden) blauw water. Kijken kost niks, voor zwemmen dien je te betalen. De horeca hier doet ook goede zaken.
De eerste keer IJsland smaakt enorm naar meer. Wat een geweldig mooi land is dit. Na de globale kennismaking ontstaat het verlangen om meer te doen en minder te rijden. Gletsjerwandelen, walvissen kijken, wildwatervaren misschien wel. Of een avontuurlijk rit met een groot 4×4 voertuig, varen tussen enorme ijsblokken. Ja, de buitensporter kan zijn hart hier ophalen.

Tekst en fotografie: Willem Laros (@willemlaros)